Hendrik Jan Wolter (Haarlem, 15 juli 1873 – Laren, 29 oktober 1952) was een Nederlands luministische schilder. Zijn vader, Hendrik Jan, was ingenieur en mede oprichter van het technisch installatiebedrijf Wolter & Dros. Zijn moeder, Johanna Louiza Lorié, stamde uit een Frans Normandische familie.

 

In 1885 verhuisde het gezin naar Amersfoort. Daar volgde de jonge Hendrik Jan de Hoogere Burgerschool, om hierna een loopbaan als officier aan te vangen, te Haarlem aan de Militaire School. Zijn muzikaal-artistieke moeder was hierom echter niet zo geestdriftig. Met haar steun mocht hij de infanterie-opleiding opgeven en zich, met enthousiasme, aan de tekenkunst gaan wijden.

 

In 1895 werd hij opgenomen in de Académie des Beaux-Arts te Antwerpen. Een jaar later al stapte hij over naar het Institut Supérieur waar hij de opleiding in 3 jaar afrondde. In 1904 werd hij onderscheiden met de Willink van Collenprijs.

 

Aanvankelijk schilderde hij in een traditionele academische stijl, herkenbaar in zijn grote doeken van de Amersfoortse grachten en singels die in het bezit zijn van Museum Flehite te Amersfoort.

 

In 1904 trouwde hij met Koosje (Popkolina) Van Hoorn en gingen zij in het Gooise Laren wonen. In die periode schilderde hij aanvankelijk taferelen uit het Gooise dorpsleven, maar al gauw richtte hij zich op havens en schepen, een belangrijke  inspiratiebron in zijn verdere schildersleven. Hij ontpopte zich als een gedreven plein-air schilder.

Tijdens zijn Antwerps verblijf had hij ook het pointillistische werk van Georges Seurat, Paul Signac en Théo van Rysselberghe leren kennen en dit vormde de basis voor zijn onovertroffen luministische doeken, die kenmerkend zouden worden voor zijn latere werk .

In het eerste decennium van de 20e eeuw schilderde hij onder meer de Linge, de Rijn bij Rhenen en de Merwede bij Woudrichem en Gorinchem. Ook maakte hij in die periode zijn eerste reizen naar Zeeland, waar hij onder meer de Sint-Lievensmonstertoren in Zierikzee schilderde.

Omstreeks 1910 trok hij voor het eerst naar de Engelse kusten van Cornwall en Devon om er onvergetelijke stemmingsbeelden te creëren, waaronder havengezichten van Polperro, Lynmouth en St. Ives.

 

Kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog betrok hij een atelier aan de Amstel, op de Amsteldijk 14, met zicht op de brug Hoge Sluis. Hier nam hij langzamerhand afstand van zijn divisionistische stijl. Hoewel de speels tintelende kleurentoetsen zijn luministisch palet bleven bevolken, werd zijn verfbewerking pasteuzer; soms werd de verf aangesmeerd met het platte mes.

 

Omdat reizen in Europa door de oorlog en de gevolgen daarvan tot 1919 niet goed mogelijk was schilderde hij na 1914 alleen in Nederland. De Zeeuwse havens van Veere, Tholen en Vlissingen, maar ook Enkhuizen en Zaandam en Montferland werden in deze jaren op schilderskarton en paneel vastgelegd. Vanuit zijn atelier op de derde verdieping schilderde hij de Amstel in verschillende jaargetijden, vroeg in de winterochtend, op het midden van een zomerse dag en bij late zonnestralen in de herfst.

 

In 1924 werd hij hoogleraar aan de Amsterdamse Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Hier volgde hij Prof. Nicolaas van der Waay op. Vanaf 1920 pakte hij het reizen weer op, aanvankelijk vooral naar Engeland, waar hij de vele gezichten van de Thames in Londen vastlegde, en naar Bretagne waar hij de havens van Tréboul en Douarnenez schilderde. Vanaf het einde van de jaren twintig trok hij opnieuw naar Frankrijk waar hij schilderde in Normandië (Honfleur) en Bretagne, maar ook zuidelijker in Albi en Espalion en aan de Rivièra, in Sanary, Cannes, Villefranche en Nice. In de dertiger jaren reisde hij bijna ieder jaar naar Italië waar hij Rome, Venetië, Florence, San Gimignano en Verona bezocht en in Camogli vele gezichten op schepen in de binnenhaven schilderde. In 1935 trok hij door Spanje en schilderde onder meer in Bilbao, Motrico en Toledo.

 In 1939, na zijn loopbaan als hoogleraar, ging hij met Koosje in Rome wonen, maar het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog dwong hen naar Nederland terug te keren.

 

Wolter was niet alleen een virtuoos landschapschilder. Hij was ook figuurschilder met allure, waarbij hij de symboliek van het ouder-worden bewerkte en hij de drie levensfasen van de mens, jeugd-volwassenheid-ouderdom, belichtte. In pakkende krijt- en pasteltekeningen creëerde hij de drukke sfeer in talloze confectie-ateliers en diamantslijperijen.

 

Zijn laatste werk maakte hij in 1946 bij een bezoek aan zijn zoon Henk die in New York woonde. Kleine paneeltjes met verfschetsen van Manhattan en Brooklyn verraden het plezier waarmee hij de impressies van de nieuwe wereld onderging.

 

Jaren na zijn dood kreeg Wolter, in 1959, voor het eerst een buitenlandse expositie. Het werd een opvallende hommage bij Bernheim-Jeune-Dauberville in Parijs.

In 1992 verscheen een eerste publicatie over zijn werk, van de hand van verzamelaar Klaas de Poel. In zijn monografie ‘Hendrik Jan Wolter. Schilder van licht en kleur’ geeft hij een overzicht van zijn ontwikkeling als schilder en docent.

 

De hoogtepunten uit het werk dat Wolter op zijn reizen maakte worden belicht en beschreven in ‘Op reis met Hendrik Jan Wolter (1873 – 1952), van de hand van Maarten Jager en Renske van der Linde, dat de gelijknamige tentoonstelling in Museum Flehite (2010) begeleidde.

 

Gebaseerd op Wikipedia, de vrije encyclopedie, onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen  en bewerkt op 17 juni 2016.

De Stichting Vrienden van de schilder H.J. Wolter is vanaf september 2015 bezig met onderzoek en inventarisatie van het geschilderde oeuvre van Hendrik Jan Wolter.

 

De Stichting heeft Justine Rinnooy Kan en Nelleke de Vries, beiden master student kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, bereid gevonden om het nodige onderzoek te verrichten en een digitale publicatie voor te bereiden.

 

De eerste fase van het onderzoek bestaat uit het verzamelen van beeldmateriaal van de werken van Wolter en het beschrijven en catalogiseren daarvan. Mede dank zij de medewerking van de Rijksdienst voor kunstdocumentatie (RKD) is het eerste deel van deze fase inmiddels met succes afgerond. Digitaal beeldmateriaal van ruim 200 werken van Wolter  is in kaart gebracht en beschreven. Het tweede deel van deze fase start in februari 2017.

 

De tweede fase van het project omvat het schrijven van essays over het oeuvre en de digitale publicatie van het beeldmateriaal, de beschrijvingen en de essays.

De stichting hoopt het gehele project in 2017 te kunnen afronden.

De Stichting Vrienden van de schilder H.J. Wolter is opgericht in 1992.

 

Bij de oprichting heeft de Stichting zich ten doel gesteld  de bekendheid van het werk van Hendrik Jan Wolter te vergroten. De Stichting beschikt over het auteursrecht op de werken van Wolter en heeft tijdens haar bestaan verschillende publicaties over het werk van de schilder ondersteund.

 

Het bestuur van de Stichting wordt vanaf de oprichting gevormd door Wolter Wefers Bettink (voorzitter), Jop Ubbens, chairman van Christie’s Nederland, en mw Lucky Belder, kunsthistorica en juriste, verbonden aan het Moolengraaf instituut van de Universiteit Utrecht.

In 2015 zijn Robert Jan Wefers Bettink (penningmeester) en mw Elselot van Haersma Buma – Wefers Bettink tot het bestuur toegetreden.

 

De Stichting bereidt een digitale publicatie over het geschilderd oeuvre van Hendrik Jan Wolter voor.

Fotografie: Ruben de Heer.

Met dank aan Uitgeverij Bekking & Blitz, Museum Flehite en Galerie Quintessens